Dit kortverhaal won in juni 2026 de twee prijs in de jaarlijkse Limnisa-kortverhalenwedstrijd.
Sandra hield haar badge tegen het zwarte oog. Groen licht. Een klik. De stalen deur schoof open met een zucht van chemische citroen en de valse frisheid van een ruimte waarin mensen komen en gaan zonder ooit te vertrekken. De warmte kleefde in dikke lagen tegen de muren. Een probleem met de radiatoren, beweerde de instelling, maar het was eerder hoop die jaar na jaar bleef hangen, tot het beton er stroperig van werd.
Onder haar strakke harnas – een marineblauwe blazer van goedkope wol – plakte haar hemd al aan haar rug. Het was pas april. Haar lichaam liep weer eens hopeloos achter op de kalender. Soms meende ze dat haar lijf nog in maart woonde en weigerde te verhuizen.
Naast de automaat waren de witte bekers netjes gestapeld. Wervels van plastic. Ze nam er twee, hoewel Eva in acht jaar nooit koffie had gevraagd. Maar ze zei ja tegen alles wat heet was en de keel schroeide.
De beveiliger knikte. Hij negeerde haar gezicht. In dit soort instellingen zat je identiteit in je badge, niet achter je ogen.
‘Morgen,’ mompelde ze. Ze gunde hem haar volle stem niet.
Eva wachtte in kamer drie. In het begin brachten de bewakers haar, met sleutelbossen die rammelden als bestek in een ziekenhuiskar. Tegenwoordig lieten ze haar zelf de weg vinden. De blauwdruk van het gebouw stond inmiddels onder haar nagels gekrast. De hiërarchie van de gevangenis was in haar geslepen: ze stond op zodra Sandra binnenkwam, een reflex vanuit de knieën.
‘Je bent vroeg.’
‘Twee minuten.’
‘Twee minuten te vroeg.’
In de hoek stond nog steeds de plant. Ze was drie jaar geleden gestorven, maar weigerde om te vallen. Haar droge bladeren hielden haar in een postmortale wurggreep overeind.
De tafel tussen hen glansde vet van de zeep. Sandra legde de map erop. Op het kartonnen lipje stond Liekes naam, in dat ambtelijke blauwe handschrift van 2018, gestold in de tijd.
‘Hoe slaap je?’
‘Redelijk.’
‘Angstklachten?’
‘Minder.’
Sandra’s pen bewoog over het papier zonder dat haar ogen volgden. Haar vingers kenden de route; de herhaling van april zat in hun kootjes na acht jaar lang dezelfde maand op te vragen. Soms bladerde ze terug en zag ze zinnen uit 2020 staan, hergebruikt twee jaar later, en nu.
‘Je schrijft sneller dan vroeger.’
‘Meer ervaring.’
‘Minder geduld.’ Haar stem had de hardheid van een kiezel.
Een onvrijwillige warmte golfde vanuit Sandra’s borstbeen omhoog en kleurde haar wangen rood. Haar rug werd in een klap zompig. Onder haar oksels spande de blazerstof zich als een dwangbuis. Ze tastte naar haar knopen. Haar vingers voelden onhandig en dik.
Eva keek hoffelijk weg. Die gratie was nieuw. In het eerste jaar had ze nog die koortsige blik van pasgevangenen gehad; ze vrat de klok op met haar ogen, de speld in Sandra’s haren, de plastic roerstaafjes. De blik van iemand die ineens beseft dat ze een lichaam heeft, en dat dit opgesloten kan worden. Haar tijd in de instelling had de scherpe randen weggesleten. Mensen in de buitenwereld zouden haar nu betrouwbaar noemen. Een vrouw die de geraniums niet vergeet te wateren.
De map lag dicht, maar Lieke lag er bovenop. Niet als geest – Sandra geloofde niet in geesten; geen echte, geen metaforische – maar als een feit. Lieke van den Bergh. Zesentwintig. Rook naar krijt en krijsende kinderen. Dood op een dinsdag. En dan was er de hond in het dossier. Haar bordercollie die drie nachten lang in het appartement had gejankt, tot de buren de politie belden. Soms dacht ze vaker aan het dier dan aan het dode meisje. Een moreel manco. Een van de vele.
‘De commissie is akkoord.’
‘Onvoorwaardelijk?’
‘Je komt vrij eind mei. Met wekelijkse meldingsplicht. Je afspraken met de psychiater liggen vast.’
‘Dus dit is onze laatste april?’
De woorden sneden een kier in het raamkozijn, waardoor de koude buitenlucht naar binnen kroop. Sandra nam een slok koffie. Ze smaakte enkel het lauwe plastic van de beker.
‘Waarschijnlijk.’
‘Jammer. Ga je me missen?’
‘Ik zie ook andere mensen, Eva.’
‘Maar niet in april.’
Het dode meisje bewoog tussen hen in. Sandra opende de map. Ze keek naar de vakantiefoto in een bijlage. Lieke in de zon, haar ogen in spleetjes tegen het licht. Geluk als iets fysieks. Sandra had de foto in geen jaren aangeraakt, maar kende de bedeesde glimlach beter dan de gezichten op haar schoorsteenmantel.
Buiten piepte het karretje van de schoonmaker. Zijn vulgaire lach werd opgeslokt door het beton en vervormd, alsof de lach uit het diepe water kwam.
‘Heb je plannen?’
‘Voor de wereld?’
‘Voor jezelf.’
‘Slapen. Koffie. Misschien een baantje.’
Sandra noteerde niets.
‘Ik dacht dat we misschien samen koffie konden drinken. Buiten.’
Geen verleiding. Geen smeekbede. Een vervolgafspraak, meer niet. Sandra schrok er niet van dat ze het vroeg. Ze had dit scenario eerder uitgedacht. Alleen de exacte formulering had ze tot vandaag opgespaard. De hitte kroop langs de pezen van haar hals. Maart, dacht ze. Mijn lijf hangt nog in maart.
In maart had ze haar miskraam gehad. Niet dit jaar, Jezus, jaren geleden, maar elke maart werd Sandra’s huid klam en onbetrouwbaar. Dan rook ze de badkamer weer. Het bloed had zwart als koffie geleken op de badkamertegels. Haar ex had de ambulancebroeders nadien Nespresso ingeschonken. Mannen moeten nu eenmaal iets met hun handen doen als hun vrouw leegloopt waar ze bijstaan.
‘Koffie lijkt me niet verstandig,’ zei ze.
‘Thee? Warme chocomelk?’
‘Buiten? Dan liever iets sterkers.’
‘Je hebt nog vijf weken. Denk erover na.’
Sandra klapte de map dicht. Het karton loste een schampschot in de kleine ruimte.
‘Zo werkt het systeem niet.’
‘Het systeem werkt niet, nee.’
De daaropvolgende stilte was niet pijnlijk. Ze voelde comfortabel aan, en net dat boezemde Sandra angst in. Het was de stilte van pantoffels in de gang.
Sandra keek naar haar handen op de glanzende tafel. De handen van een vrouw die ouder werd. De huid was dun en gevlekt, met kleine bruine stipjes bij de knokkels: zonneschade van hete zomers uit haar jeugd. Haar lichaam transformeerde, rimpelde en verviel, zonder dat ze daarvoor toestemming had gegeven.
Toen de zoemer ging, stond Eva als eerste op. Ze dronk haar koude koffie in één gulp leeg.
‘Ik bedoelde echte koffie,’ zei ze. ‘Niet deze troep.’
Daarna stapte ze de gang in. De deur viel dicht met een plof.
Sandra bleef zitten in chemische citroen. Voorbij de deur bewoog de instelling log verder: een zwaar, zwetend lichaam dat niet doorheeft wanneer het hart een tel of twee heeft overgeslagen. Ze zag zichzelf hier zitten in april volgend jaar. Dezelfde tafel, dezelfde blauwe blazer, dezelfde vragen. Maar een andere man die zijn vrouw had geslagen, een andere vrouw die haar partner had vermoord. Er zou een vreemde zitten op de stoel tegenover haar. En het ergste was, merkte ze, dat die gedachte niet de vorm van opluchting aannam, maar van een vonnis.