Dit kortverhaal won in oktober 2026 de tweede prijs in de schrijfwedstrijd ‘De Kortste Queeste’ van Fabelfest en Creatief Schrijven.

I.

De Tachyon Retrograde Model IV reutelde als een stervende koelkast op de formica keukentafel van Walters eenpersoonsflat in Sector 7. Aan de zijkant van het apparaat spuwde een strook ponsband vettige paarse inkt uit die rook naar gesmolten bakeliet.
Walter keek naar de klok aan de muur. 14:12:31. Zijn vingers zochten de startknop. Nog twee seconden.
14:12:33. Hij raakte de deurklink niet aan. Dat was zijn taak: iets niet doen, en dan meteen vertrekken.
Hoe vaak hij deze seconde bezocht had, wist hij niet meer. In het begin had hij de tel bijgehouden met krassen in de gipsen muur naast de deur, maar op een ochtend – een onzinwoord inmiddels, ochtend, in zijn situatie – merkte hij dat de kerven waren dichtgegroeid. Als littekens op een levend wezen absorbeerde het gips zijn administratie. Daarna was hij gestopt met tellen, niet omdat het zinloos was, maar omdat het getal geen informatie meer verschafte. Aan dat soort onderscheid was hij zich gaan hechten nadat al het andere was weggevallen.
‘Ergens in de 86.400 seconden van 14 maart heb je een fout gemaakt, Walter,’ had dokter Vosch gezegd, tikkend tegen zijn glazen oog. ‘We beschuldigen je niet van een misdaad. Of sabotage. Je had gewoon pech: een syntaxfout in een subroutine, een één waar een nul had moeten staan. Maar de seconde klopt niet langer. En corrigeren we hem niet, dan klapt het causale veld in elkaar. Dan ontrafelt de realiteit. Als een goedkope panty.’
Walter had gevraagd om de berekening te zien. Van Vosch mocht dat niet: de informatie was geklasseerd. Er zat een zekere elegantie in zo’n berekening die je nooit hoefde te tonen. Walter had uiteindelijk de mannen van het Ministerie geloofd omdat ze bang waren, en angst leek hem het enige dat je niet kon spelen. Inmiddels wist hij beter. Angst speelde je makkelijk. Hij deed het zelf elke dag.
Het alternatief – dat de seconde niet bestond en hij zijn dag tel per tel ontrafelde zonder reden – was bovendien niet aantrekkelijker, en moeilijker hard te maken. Dus drukte hij op de knop.
Het apparaat jankte. De kamer loste op in statische elektriciteit en een walm ozon.

II.

Klik.
07:04:18. Walter stond achter het raam van zijn appartement en keek uit over de straathoek van 4th Street en Main.
Daar strekte het duivenvrouwtje in haar groene wollen jas haar hand uit. Een dikke duif pikte de kruimels behoedzaam uit haar palm. Links, links, rechts. Zevenmaal. Altijd zevenmaal. Walter kwam hier vaker dan kansberekening kon verklaren. Het was de enige seconde van de dag die hem iets gaf in plaats van iets te vragen.
De regels van Model IV had hij proefondervindelijk moeten vaststellen; de handleiding was gedrukt op papier dat zo snel verging dat de letters als mieren van de pagina marcheerden. Hij kon naar elke seconde flitsen en daar één handeling wijzigen, maar het Ministerie verwachtte dat hij handelde zonder de gevolgen waar te nemen. Een reiziger die ophoudt te bestaan kan immers geen nieuwe pogingen doen en het systeem bestrafte verificatie met desintegratie. Er bestond een woord voor mannen in Walters positie. Niet held. Acoliet. Het woord smaakte naar wierook.
De duif pikte. Links, rechts, links.
Walter drukte zijn bril – legeroverschot van de zwarte markt, het enige gereedschap dat het Ministerie hem niet had gegeven – tegen het glas. De stilgezette dag had geen varianten nodig. Links, links, rechts pikte de duif de volgende zes maal. Normaliteit hersteld.
‘Ze bezuinigen op de details,’ mompelde Walter tegen … ja, tegen wie eigenlijk?

III.

Klik.
22:51:02. De koude avondlucht sneed door Walters hemd in het steegje tegenover de avondwinkel van de oude Bernstein.
Dit was de seconde die hij vreesde. Aan de overkant pakte de winkelier het ijzeren rolluik vast en trok het ratelend naar beneden – ratataaak-clunk. Walters borst kneep er iedere keer bij dicht. Hij had zelf het rolluik nooit aangeraakt. Nooit Bernstein gesproken. Maar zijn lichaam onthield iets wat zijn geest was kwijtgespeeld. Een herinnering aan een fout, te diep voor het Ministerie om te wissen.
Hij was gaan meten. Bij achttien bezoeken had hij het geratel geklokt met een stopwatch uit de sporttas – wie geeft in hemelsnaam het lot van de wereld mee in een sporttas? – en het ratelen duurde telkens even lang. Op de duizendste van een seconde. Geen rolluik ter wereld ratelt al die keren identiek. Ofwel loog zijn stopwatch, ofwel herhaalde de dag daar een opname van zichzelf. Een lus in de lus. Een naad.
Een tweede hypothese was dat er niets mis was met het rolluik. Er was iets mis met de waarnemer. Na duizend doorgangen van dezelfde dag begon zijn brein varianten te verzinnen om zichzelf iets te vrezen te geven. Beide verklaringen pasten. Ze pasten even goed. Er was geen experiment dat ertussen kon kiezen, want als er een antwoord was, lag dat in de volgende seconde. En die was verboden terrein.
Bernstein draaide zich om, zoals altijd, keek de straat af, tuurde het steegje in zonder te blijven hangen. In al die doorgangen had geen mens Walter aangekeken. Logisch: hij was de reiziger, zij het decor. Maar draai het om, dacht hij, terwijl de winkelier in het donker van zijn zaak verdween, en je krijgt het koud.
Hij drukte op de knop aan zijn riem en liet zich wegzuigen uit de avond. In de flits van de sprong stond hij zichzelf de derde hypothese toe. Dat er niets te zien was.

IV.

14:12:33. Terug in de kamer greep Walter de hoorn van de zwarte telefoon en draaide het nummer van het Ministerie. De lijn kraakte. Toen klonk de stem van Vosch, vlak en licht vervormd, als woorden samengesteld uit oude opnames.
‘Je moet blijven zoeken, Walter.’
‘De duif pikte in de verkeerde volgorde,’ zei Walter. ‘Ik heb jullie door. Het rolluik is een opname. Bernstein kijkt me niet aan. Vijftien maart bestaat niet, hé? De realiteit is al gecrasht. Jullie draaien mij op wat er overblijft van de servers, een causale plug in oude software – ’
‘Stel dat het zo is,’ zei Vosch. Het klonk niet als een toegeving. Het klonk als een wiskundeleraar die een som op het bord schrijft. ‘Wat verandert er dan voor jou? Of aan de handelingen die je uitvoert?’
Walter opende zijn mond. Er kwam niets uit. Hij sloot hem weer.
‘Je kan niet verifiëren dat de wereld echt is,’ zei de stem. ‘Of dat ze vals is. Beide toestanden zijn identiek, Walter. Een voltooide taak en een onvoltooide staan op gelijke voet. De man die gelooft dat hij geslaagd is, stopt. De man die gelooft dat het onmogelijk is, ook. Als je werkelijk gelooft dat alles nep is, ga dan langs de kant van de weg zitten en wacht tot het decor wordt afgebroken. Maar jij bent geen van beide mannen, Walter. Jij bent de man in het midden. De man die blijft bewegen.’
‘Dat heb ík bedacht,’ zei Walter. ‘Dat van die man in het midden. Dat heb ik mezelf gezegd, ergens in de derde maand al.’
‘Dan was het een goede gedachte,’ zei Vosch. ‘Wie ze ook had.’ Daarna viel de verbinding weg.
Walter keek naar zijn handen en kneep in de huid naast zijn duimnagel tot er bloed uit druppelde. Het was rood en rook naar ijzer, en dat bewees helemaal niets. Hij veegde het bloed af aan zijn broek. Het ergste vond hij niet dat het Ministerie zijn eigen troost tegen hem gebruikte; het ergste vond hij dat het werkte.

V.

Walter kende zijn eigen genre: een pulppocket uit de vuilniscontainer, de kaft doorweekt van regen. Hij had het lot van de wereld al zo oneindig vaak gewogen dat het abstract geworden was, zoals een getal met meer nullen dan er op een blad passen.
Maar ergens bestond er een versie van dit verhaal waarin de held de naad openscheurt, het decor neerhaalt, de regisseur bij de keel grijpt. Een versie waarin hij de juiste seconde vond zonder het te beseffen, met de klank van een deur die achter hem zacht in het slot viel.
Dat meende hij omdat – zelfs met chroom onder de veren – de duif gewicht had. De kruimels hadden gewicht, net als Bernsteins kromme rug. Het waren misschien rekwisieten, maar iemand had er zorg aan besteed. Ze waren allemaal nauwgezet neergezet voor mensen die zelden lang genoeg bleven om er aandacht aan te besteden. Walter had dat wél geleerd. Hij bewoog zich tussen gewone dingen op een gewone dag in maart, in de wetenschap dat het universum hem geen handen gegeven had op maat van de catastrofe; het gaf hem handen op maat van een gezicht, een rolluik, een kruimelend brood.
Eén ding wilde Walter nog. Niet iets weten; weten was de gesel van zijn bestaan. Hij wilde iets kleiners. Kleiner nog dan de seconde die hij van Vosch moest blijven zoeken.

VI.

Klik.
22:51:02. De koude wind. De geur van de stad, of van de decorstukken die de straten naspeelden. Aan de overkant nam Bernstein het rolluik vast. Ratataaak-clunk. Walters borst knelde, klokvast.
Hij stapte uit het steegje, het licht van een groene neonlamp in, en bleef staan op de plek waar hij het meest zichtbaar was. Hij stak zijn hand op. De groet van een man aan een ander, aan het einde van een lange, vermoeiende werkdag.
Bernstein draaide zich om. Heel even maar. Een halve tel, korter dan het geratel van het rolluik op de stopwatch, bleef de blik van de winkelier hangen op de plek waar Walter hem toezwaaide.
Misschien was het de lus die haperde. Misschien was het een neuron op zoek naar een patroon in een vermoeid brein. Van binnenuit waren die twee niet te onderscheiden, en voor het eerst sinds het Ministerie hem zijn taak had gegeven, deed dat er niet toe. Gezien worden of denken dat je gezien wordt – van binnenuit viel het niet te onderscheiden. Dus mocht hij kiezen. Het moment duurde een seconde, een van de 86.400 tellen die 14 maart vormden, en hij kon er nooit meer heen.
Hij drukte op de knop.
Klik.

VII.

14:12:33. Walter raakte de deurklink niet aan.
De Tachyon Retrograde Model IV reutelde als een stervende koelkast op de keukentafel. Aan de zijkant spuwde een strook ponsband paarse inkt uit die stonk naar gesmolten bakeliet.
In de hoeken van de kamer was de textuur van de muren dunner geworden. Het leek alsof de verf het begaf, maar dat kon ook aan Walters ogen liggen, die om slaap smeekten. Hij liet de twee mogelijkheden naast elkaar bestaan.
Hij ademde drie keer in, drie keer uit.
‘Laat dit genoeg zijn,’ zei hij tegen … ja, tegen wie eigenlijk buiten zichzelf?
Hij drukte de knop in en ging opnieuw.